Michiel Coxcie de oudere
Michiel Coxcie de oudere is niet alleen de stamvader van het kunstenaarsgeslacht, maar ook zijn beroemdste vertegenwoordiger. Zijn lange leven bestreek nagenoeg de ganse zestiende eeuw. Hij leefde immers van 1499 tot 1592.
Na een vermoedelijke leertijd bij Bernard Van Orley is Michiel Coxcie naar Rome getrokken. Daar voerde hij onder meer belangrijke opdrachten uit voor de Nederlandse kolonie. Van groot belang is het feit dat hij zich in Rome grondig wist te scholen naar het voorbeeld van de toonaangevende classicerende Renaissancestijl van Rafaël.
Ten laatste in 1539 was Coxcie alweer in Mechelen, om daar slechts enkele jaren te verblijven. In 1543 vestigde hij zich in Brussel, waar hij een beroemd en welvarend kunstenaar zou worden. Hij was toonaangevend als ontwerper van monumentale wandtapijtencycli en van indrukwekkende glasramen, onder andere voor de Sint-Goedelkerk.
Coxcie werd in Brussel vooral aangetrokken door het hofmilieu. Na de dood van Margareta van Oostenrijk had het Habsburgse hof Mechelen verlaten en zich definitief in Brussel gevestigd. Coxcie was betrokken bij de decoratie van het slot van Maria van Hongarije in Binche. In 1566 viel hem de hoogte eer te beurt: hij mocht zich toen 'pictor regis' noemen, in dienst van Filips II, koning van Spanje. Die kocht heel wat werk van Coxcie, onder meer de bekende kopie naar het 'Lam Gods' van de gebroeders Van Eyck.
Wanneer Mechelen in 1559 een aartsbisschoppelijke stad werd, keerde hij terug naar zijn geboortestad. Op een kort verblijf in Antwerpen na bleef hij daar voor de rest van zijn leven. In die tijd schilderde hij een groot aantal altaarstukken voor diverse kerken en kloosters in de hele Nederlanden. Een deel van die schilderijen is verdwenen tijdens de Beeldenstorm. De nog bewaarde stukken laten Coxcie zien als een schilder die de in Rome aangeleerde, monumentale Rafaëleske stijl onveranderd is blijven aanwenden. Die stijl combineerde hij met een typisch Nederlandse voorkeur voor beschrijvend en anekdotisch detailrealisme.

Deze tekst is gebaseerd op de lezing gehouden door prof. em. dr. Hans Vlieghe tijdens de academische zitting op zaterdag 22 januari 2011 naar aanleiding van de schenking van de portretten van Petrus de Meester en Catharina de Drijver.
- Info diensten



